Verslag Informatiebijeenkomst Anders Verantwoorden 20 januari 2016

door: Yvonne van Oorsouw en Saar Frieling

Op zoek naar de brug die het onderwijs van de vrijeschool en de eisen van het systeem vanuit eigenaarschap aan elkaar weet te verbinden, heeft Annemieke Zwart (o.a. auteur van ‘ik zie rond in de wereld’) in nauwe samenspraak met het werk van Gert Biesta een methode ontwikkeld om onderwijs te verantwoorden. Tri-band verantwoorden is een manier om trouw te blijven aan een onderwijsconcept zonder daarmee onbegrijpelijk te worden voor het systeem. Leren werken met deze manier van verantwoorden is onderdeel van de Masterclass Pedagogisch Meesterschap voor docenten en de Collegereeks Pedagogisch Meesterschap voor schoolleiders van het Centrum Onderwijs & Innovatie van de Hogeschool Leiden. Ze zijn ontwikkeld voor scholen die na periodes van inspectiestress hun eigen concept willen terugveroveren door na te denken over concept-specifiek verantwoorden.

Saar Frieling (onderzoeksbegeleider van de Masterclass Pedagogisch Meesterschap) gaf samen met Yvonne van Buggenum (leraar vrijeschool Hillegom, deelnemer Masterclass Pedagogisch Meesterschap 2014/2015) op 20 januari jongstleden een presentatie over Anders (Tri-band) verantwoorden en over de mogelijkheden die dat biedt voor de vrijeschool. Dit is het verslag van een geslaagde bijeenkomst waarin niet alleen ruimte was voor informatie en inspiratie maar ook voor ieders eigen beginvraag rond deze thematiek.

Spagaat
Frieling start de presentatie met haar verhaal: “Het begrip spagaat in de context van het verantwoorden van onderwijs hoorde ik voor het eerst bij een oprichtingsbijeenkomst van het platform VrijOnderwijs. De aanwezigen spraken over de spagaat die zij ervoeren tussen de praktijk van de vrijeschool en de eisen van de onderwijsinspectie. Later hoorde ik dit gebruik van het begrip spagaat opnieuw, dit keer uit de mond van docenten op Montessorischolen. Ook zij spraken van een spagaat tussen het eigen onderwijsconcept en de eisen van de samenleving.
In beide gevallen leek het woord spagaat iets uit te drukken van een onmogelijke keuze tussen twee kwaden. In beide gevallen was er woede over waarop waarden uit het eigen onderwijsconcept leken te hebben plaatsgemaakt voor eisen van buiten. En inderdaad lijkt de schijnbare tegenstelling tussen conceptuele onderwijsvrijheid en collectieve middelen en verantwoording soms onoverbrugbaar. Maar het is misschien goed om ons af en toe te realiseren dat ook onze wet deze spagaat maakt, en dat onze onderwijswet – waarmee bijzondere scholen gelijk gefinancierd worden aan openbare scholen – een bijzondere wet is die in veel andere landen niet bestaat. En dat wij als bijzondere scholen dus ook de taak hebben zodanig te oefenen dat we deze spagaat kunnen maken: onze conceptuele vrijheid behouden en toch voldoen aan collectieve eisen van verantwoording.”

Schoolvoorbeeld
Frieling geeft vervolgens een voorbeeld uit haar vroegere werk als decaan aan de Vrije Hogeschool in Driebergen, waar voor adolescenten een tussenjaar wordt geboden tussen middelbare school en hoger onderwijs. Veel studenten ervoeren het spanningsveld tussen vrijheid en onderwijssysteem. Sommigen waren bang dat zij hun pasverworven vrijheid niet konden vasthouden in het ‘reguliere’ hoger onderwijs. Anderen voelden zich door die spagaat juist uitgedaagd. Volgens Frieling waren de twee belangrijkste aspecten van de vrijheid die de tweede groep ondervond:
1) gemak met het voldoen aan eisen van anderen en;
2) goed geankerd zijn in wat je zelf wilt.
Het eerste punt is niet voor alle individuele studenten zomaar op te lossen. De verankering met wat je zelf wilt is waar het zowel op de Vrije Hogeschool als bij de Masterclass en de Collegereeks om draait. En natuurlijk hangen de twee ook samen. “Een intern begeleider van een vrijeschool deed in het kader van onze Masterclass onderzoek naar groepsplannen, handelingsplannen en andere energievreters waar docenten bij haar op school over klaagden. Haar vraag was: wat is het doel van al die instrumenten, welke energie kosten ze om in te vullen en wat leveren ze in ruil daarvoor op? Dit alles zodat de school zelf een keuze zou kunnen maken over welke van deze instrumenten te gebruiken, voor welke doelen en op welke manier. Niet lang na het onderzoek had de IB-er een inspecteur op bezoek in haar school, die zei: “het doel van al die plannen is natuurlijk hoge citoscores.” De IB-er liet zich hierdoor niet van de wijs brengen, en hield vol dat de uitdaging is om de scores omhoog te brengen, maar dat ze daarmee nooit het doel worden. Het doel blijft om kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op hun latere leven. De citoscores zijn een middel om de voortgang van kinderen op een paar onderdelen te meten en voor de school om te zien of het geboden onderwijs het gewenste effect heeft of dat er moet worden bijgesteld.

Starten met het steentje in je schoen
Voor deze IB-er waren klachten van docenten over instrumenten waar zij als kwaliteitsbewaker verantwoordelijkheid voor had datgene wat haar in haar dagelijkse praktijk het meest voor de voeten liep. Het was the pebble in her shoe; het onderdeel van je werk dat je het aller lastigst vindt of waaraan je je het meest ergert. Dat ‘steentje’ is onderdeel van de Masterclass Pedagogisch Meesterschap. Docenten gaan aan de slag in hun eigen klas met een onderwerp dat hen na aan het hart ligt. Dat kan zo klein zijn als de ontwikkeling van een enkel kind, maar het kan ook gaan om een andere aanpak van het periode-onderwijs, het invoeren van een nieuw leerlingvolgsysteem of het verantwoorden van een buiten-les. In de Masterclass begint het met een experimenteel project, om daarna uit te monden in ‘onderzoek in eigen werk’. Iedere deelnemer ontwikkelt nieuw handelingsrepertoire voor zichzelf maar door middel van het onderzoek ook nieuwe kennis die bijdraagt aan de ontwikkeling van de school. Voor de eerdergenoemde IB-er betekende het onderzoek en de daarmee verworven kennis dat ze meer ruimte voelde en steviger stond in relatie tot de inspectie.

Voor Yvonne van Buggenum van de vrijeschool in Hillegom die er tijdens de bijeenkomst van 20 januari bij was om haar ervaringen te delen, was haar pebble het periodeonderwijs en de volte in het kopieerhok rond periodetijd. Zij realiseerde zich dat ze maar al te vaak, net als haar collega’s op het laatste nippertje nog snel even een werk- of ander blad moest kopiëren voor de les. Van Buggenum legt uit wat dat betekende voor de schoolpraktijk en dus uiteindelijk voor de kinderen: “je gaat niet in eerste instantie van de kinderen uit maar van de inhoud en de stress van jezelf om het goed te doen voor het leerlingenvolgsysteem. Je kunt je ‘vinkje’ weer zetten. Mijn onderzoeksvraag was ook: hoe krijg ik het weer bruisend voor de kinderen?” Via deze link is het verslag te lezen wat Van Buggenum maakte naar aanleiding van haar onderzoek over haar steentje.

Van Buggenum denkt met veel plezier terug aan de periode die ze deed tijdens de Masterclass: de Grieken. “Ik begon ermee door mezelf voor te houden: dit wordt een periode voor ons allemaal. Dat is gelukt! De kinderen stapten ‘bam’, meteen in de periode. We hebben erg genoten van alles wat gemaakt werd, ook de ouders want we hebben de periode afgesloten met de ouders samen.” Inmiddels geeft Van Buggenum al haar periodes vorm op de in de Masterclass ontwikkelde manier. “Het mooiste is hoezeer de betrokkenheid van de ouders veranderd is door deze aanpak. We sluiten nu altijd met ouders af, soms aan het begin van de dag, soms aan het eind van de dag en soms ’s avonds, zodat alle ouders de gelegenheid krijgen om de presentaties mee te maken. En het is altijd vol.”

Irritaties
De verschillende deelnemers hadden weinig moeite met het benoemen van hun eigen steentje in hun schoen. Ze blijken ook vaak aan te sluiten bij het thema ‘verantwoorden’:
– Veel tijd kwijt zijn met vastleggen (dat is (nog) niet zinvol bezig zijn)
– Veel bezig zijn met organiseren
– Je slachtoffer voelen van de keuzes die gemaakt zijn (op een ander niveau: overheid, bestuur, schoolleiding)
– Nadruk komt te veel op de vorm te liggen niet op de inhoud
Van Buggenum zegt dat door haar manier van werken de kinderen meer eigenaar worden van hun leerproces. En dat leerkrachten onderling ook veel meer uitwisseling hebben over het ‘waartoe’ van wat ze doen. Bij de opmerking van iemand uit de zaal dat je toch niet te veel de verantwoordelijkheid bij de kinderen wilt leggen, wordt instemmend geknikt. “Hoe doe je dat dan? En hoe zorg je ervoor dat je de beelden laat meedragen? Je bent als leerkracht toch ook de liefdevolle autoriteit. Niet alleen een coach.” Dat deze vraag niet tijdens de avond kan worden beantwoord is duidelijk. En ook is duidelijk dat dit een waardevolle onderzoeksvraag zou kunnen zijn voor een vrijeschoolleerkracht tijdens een Masterclass. Hier wordt ook het punt van kennis delen met elkaar (over scholen heen) aangestipt. “Het zou handig zijn als we die verslagen zouden kunnen bekijken. Alleen al voor de inspiratie.”
Dan komt het gesprek op een volgend punt: verantwoorden. Gezegd wordt dat verantwoorden ook een vorm van angst is en niet constructief. De aanwezigen zijn het er wel over eens dat je ruimte voor jezelf in de klas niet bij een ander kunt zoeken. Toch denken we bij heel veel dingen dat het “moet van de overheid” in plaats van dat we het als keuze ervaren dat we aan die eisen willen voldoen. In feite is verantwoorden niets anders dan het verzamelen, ordenen en zichtbaar maken van datgene wat je aan het doen bent of hebt gedaan.

Tri-band verantwoorden en de inhoud van Masterclass en Collegereeks
“Het leren zichtbaar maken van wat er op een school gebeurd is verantwoorden,” dat gaat veel verder dan een toets die wordt ingevuld. Een belangrijk onderdeel in de Masterclass en de collegereeks voor bestuurders is dan ook het Tri-band verantwoorden en de ‘matrix van het waartoe’:

Knipsel triband verantwoordenIn deze matrix wordt zichtbaar dat verantwoorden over meer gaat dan alleen het vakje linksboven, waar de citotoetsen onder vallen. De inspectie stelt eisen over de helft van het rekenonderwijs en twee-vijfde van het taalonderwijs. Al het onderwijs daarnaast en daaromheen is een zaak van de school zelf, en ook over die onderdelen wil een school verantwoording afleggen: naar ouders (golflengte 2) en naar kinderen zelf (golflengte 3). De drie kolommen komen voort uit het werk van Gert Biesta als de drie gebieden waar onderwijs over gaat, en dus de drie gebieden waarop je verantwoording zou kunnen willen afleggen: kwalificatie, socialisatie, persoonsvorming (subjectivatie in termen van Biesta).

Een ander element van de Masterclass en de collegereeks is onderwijstypologie.  Wat voor onderwijs wil je kinderen eigenlijk bieden? Individueel of groepsgericht, lineair of concentrisch? Idee is dat je als school eerst goed moet weten wat voor type school je eigenlijk bent en wilt zijn om te kunnen weten welke vormen van verantwoording daarbij passen. Vervolgens komen er alternatieve manieren aan bod om onderwijs te verantwoorden en te evalueren: het Kindwerkdossier, U-gesprekken met kinderen en andere assessmentvormen. Aan bod komt ook het plannen van de verantwoording met behulp van de ‘verantwoordingskalender’.

De essentie van Masterclass en Collegereeks is het volgende: vrijheid en onvrijheid hangen samen met de richting van waaruit de motivatie of druk komt om iets te doen. Als de druk van boven komt krimpt de vrijheid: de inspectie zit op de nek van de besturen, de besturen zitten op de nek van de directies, de directies zitten op de nek van de docenten en de docenten zitten op de nek van de kinderen. In deze keten ervaart iedereen eisen en druk van boven en is iedereen aan het spartelen om aan die eisen te voldoen. Vrijheid groeit als de motivatie een beweging van binnenuit is: kinderen willen dingen weten en leren, docenten willen kinderen daarbij zo goed mogelijk helpen, scholen willen het moois wat zij doen verantwoorden. Met de inspectie is de school in gesprek over het verantwoorden van het onderwijs, zoals zij dat in hun concept hebben staan, en waarvoor de ouders hebben gekozen. Inclusief de onderdelen die daarvan op dit moment vanuit de overheid zijn vastgelegd: een leerlingenvolgsysteem en de eindtoets. Er blijft misschien spanning maar je staat steviger in je schoenen omdat je weet waarvoor je staat. inspectie is tevreden.

Slotvragen
Aan het slot van de bijeenkomst klinken vragen en opmerkingen die zinvol zouden zijn om in een Masterclass of collegereeks te gaan te vertalen naar een onderzoeksvraag. Zoals:
– Eigenaarschap van leerkrachten. Hoe doe je dat? Hoe wordt je samen sterk?
– Leraren uitdagen te zoeken wat ze willen en ze meer vertrouwen en loslaten!
– Uit alles klinkt dat de kinderen een andere rol krijgen bij de verantwoording van het onderwijs, dat er meer aan hen gevraagd wordt. Wat betekent dat voor de dynamiek in de klas?
– Verandering komt altijd van de werkvloer. Vragen op dat niveau maken onderzoek mogelijk.
Frieling benadrukt dat het belangrijk is je eigen onderzoeksvraag te formuleren die aansluit bij je eigen praktijkervaring. Antwoorden van anderen sluiten niet vanzelf aan bij je eigen vragen. Dus het invoeren van een portfolio zonder dat daar van binnenuit een vraag naar is is niet zinnig. Veel weerstand gaat over het gevoel dat er iets op een bepaalde manier zou moeten, terwijl het er juist om gaat dat je het zelf vormgeeft. Weerstand tegen verantwoorden is eigenlijk jammer, want door het zichtbaar maken van het leerproces krijgen de leerling, de leerkracht en de school veel positiefs terug. De aanwezigen beamen dat je eigen mening loslaten en samen een teamgeest scheppen om dialoog vraagt. Daarin moet je willen investeren, het voorbereiden van een gesprek met de inspectie is basis en geeft vrijheid om te spelen met de eisen.

Vervolgstappen
Bij de afsluiting verzuchtte een deelnemer ook nog de vraag die op ieders lippen bleek te liggen, zowel in de dag en dagelijkse praktijk als op deze specifieke avond, maar die kennelijk te lastig is om gewoon te stellen: “Maar wat wil de inspectie nu eigenlijk zien? Ik heb behoefte aan een vertaalslag van deze eisen! Wat zegt de wet, hoe vult de inspectie die wet in en welke ruimte heb je als school om je eigen koers te varen?” VrijOnderwijs.nl gaat met deze prangende vraag verder en zal een onderwijsjurist vragen hoe we het wettelijk kader kunnen zien en waar dan de ruimte zit voor de leerkracht, schoolleider en voor besturen. Met in het achterhoofd, zoals aan het begin al werd gezegd, ook de verantwoordelijkheid die hoort bij het veroveren en innemen van je ruimte ten opzichte van de ‘regels’. Want dat zul je echt zelf moeten doen!

Ervaringen oud-deelnemers
Naar aanleiding van deze avond bleken aanwezigen belangstelling te hebben voor ervaringen van oud-deelnemers. Er zijn op papier artikelenbundels verschenen, die men kan bestellen door te mailen naar Info@vrijonderwijs.nl. De prijs is: 16 Euro inclusief verzendkosten. Op den duur komen de bundels ook digitaal beschikbaar, maar vooralsnog bestaan ze alleen op papier.

In septemmber 2016 zal VrijOnderwijs een nieuw groot onderwijslab organiseren waarbij ook ruimte gemaakt wordt voor de vraag ‘wat moet en wat mag’. In aanloop naar die bijeenkomst die we organiseren over het wettelijk kader, hier een link naar een globaal overzicht van wat de inspectie wel, en wat de inspectie niet kan vragen.

Op deze website staat ook een interview met Paul Zachos, over een geschikte manier van toetsen voor de vrijeschool

Geef een reactie